De schrijver legt op heldere en eenvoudige wijze uit welke klanken Nederlanders maken en waarom ze precies die maken en geen andere. Hij besteedt daarbij zowel aandacht aan de standdaardtaal en de traditionele dialecten als het Gronings als het Gronings, als aan meer recente varianten als het Surinaams-Nederlands en de Turkse tongval. Al met al is het een leerzaam boek over de gymnastiek die onze spraakorganen elke dag bij het praten maken en over de manier waarop de verschillen tussen allerlei dialecten ons iets kunnen leren over onszelf.
Marc van Oostendorp Knihy


Een willekeurige passage van Couperus is direct herkenbaar. Maar wat maakt zijn taal nu zo speciaal? Wat zijn nu precies de kenmerken van zijn stijl? En hoe is een typische Couperuszin opgebouwd? De taal van Couperus was het onderwerp van een symposium op 23 mei 2013, ter gelegenheid van de 150ste geboortedag van de auteur. Voor dit cahier zijn drie van de toen gehouden lezingen tot artikel bewerkt. In haar inleiding voorziet Ariane van Santen deze teksten van een taalkundige achtergrond. Marc van Oostendorp legt in zijn artikel uit dat het proza van Couperus in de eerste plaats geschreven lijkt voor het oor. Erik Löffler vergelijkt de woordkunst van Couperus met die van D’Annunzio en ziet in hun taalspel duidelijk overeenkomsten. Moet het werk van Couperus hertaald worden? Dat is de vraag die Gé Vaartjes zich stelt. En zo ja, hoe moet zo’n hertaling er dan uitzien? Als toegift is de column van Ewoud Sanders ‘Met Couperus op de Zeedijk’ opgenomen.