Feesten
- 221 stránek
- 8 hodin čtení
Vaak is de staf gebroken over het al te fraaie proza van de Tachtigers; en het kan niet worden ontkend dat een overgrote aandacht voor de stijl bij enkelen van hen tot excessen, dat wil zeggen tot onleesbaarheid heeft geleid. Minstens twee schrijvers zijn er echter in het Nederland van rond 1900 voor wie dat niet geldt: Louis Couperus en Jac. van Looy. Zij schrijven niet in de destijds gangbare schrijftaal, ook niet (tenzijn in dialogen) in de spreektaal, en evenmin in iets er tussenin, zoals we tegewoordig bij de meeste schrijvers zien. Zij schrijven elk op zijn manier, een stijl die fraai, maar kunstmatig is, en toch nergens over de schreef gaat, niet te veel de aandacht van de inhoudt afleidt, en dus niet vermoeiend werkt. Couperus, de Haagse fat, deed dat op een precieuze manier, Van Looy, de Haarlemse schilder, het 'in de verf gevallen beertje', deed het vooral piitoresk en tekenachtig.Pittoresk en tekenachtig: dat geldt niet alleen voor de stijl van "Feesten", het geldt ook voor de inhoud. Van Looy laat allerlei soorten van festiviteiten, zoals ze omstreeks de eeuwwisseling plaatsvonden, de revue passeren: van huiselijk tot natioinaal, van overdadig tot armetierig, van volks tot defitg. Een feestelijk boek heeft hij ervan gemaakt, in een adequate stijl.


